Kunst is geen decoratie

Deze interessante uitspraak komt van Jaap Mooij (1916-1987), een tamelijk onbekende maar wel zeer gepassioneerde kunstenaar. Ik heb hem bijgeschreven in mijn collectie van kunstdefinities.
Kunst was voor hem een diep bewustzijn, een overtuiging, een serieus statement. Dat is een tamelijk zeldzame passie onder kunstenaars en kunstkopers.

 

We zien die decoratieve functie als een ware trend om ons heen in de openbare ruimte. Op bijna elke rotonde staat een 'kunstwerk'. Datzelfde zien we in de entree van openbare gebouwen, in winkelcentra en kantoorpanden. De kunstenaar doet dan zijn best om een bepaalde functie of symboliek te materialiseren. Dat levert soms een geslaagde toevoeging aan onze omgeving op, en soms is het gewoon protserig prutswerk.

Ik moet bij de diepere overtuiging van Jaap Mooij ook denken aan het verschil tussen “werk in opdracht” en “vrij werk.” Zelfs grote Hollandse meesters kenden dat verschil. Je werkt voor de poen of voor de kunst. Je hebt daarom succesvolle, lees welgestelde, kunstenaars en de meer principiële armoedzaaiers. Van Gogh was iemand van het tweede genre. In dat perspectief kun je begrijpen dat kunst geen decoratie is, maar een verwerkelijking van een uitzonderlijk vakmanschap. Zichtbaar maken wat het oog niet ziet. Boetseren met kleur en vorm, worstelen met de materie. Zoeken, vooral zoeken en proberen. Niet tevreden zijn en overnieuw beginnen. Dat soort kunst is wat onze ziel beroert. Die hoef je niet te begrijpen, alleen te ervaren. Daar loop je niet achteloos aan voorbij. Dat heeft geen verhaal nodig maar is een verhaal in zichzelf. Dat is kostbaar vanaf dag één. Dat zijn soms de kunstwerken waarbij een bordje staat: “niet te koop” of: “uit de collectie van de kunstenaar” Of beter: “niet bedoeld als decoratie!”

 

Meer over Jaap Mooij: lees NRC 18 oktober
KARL (wordt vervolgd)

Mark Rothko
Hij was zo’n kunstenaar die een loods vol grote schilderstukken had, die wat hem betreft niet ’af’ waren. Als zijn dochter ze niet de wereld instuurde stonden ze daar nu nog. En Rothko zelf zou nog op zijn stoel zitten te mediteren wat aan kleur of diepte toegevoegd kon worden. Of weer weggelaten moest worden. Al die overpeinzingen en lagen zitten nog steeds in dat werk. Zo

indringend dat in de musea bezoekers er een ook stoel bij pakken, mediterend bij wat ze zien, of niet zien maar wel voelen. Vaak hoor je over Rothko een soort afkeurend gemopper: “dat werk snap ik niet.” Terecht, het is ook niet bedoeld om te snappen. Het is geconcentreerde  beeldkracht, geen decoratie.